Winterdekbed

 Categorie: Gedachten

“Maham, waar ben je?” Haar stemmetje klinkt wat krakerig. Het meisje is ziek. Zij hoort mij stem gedempt wanneer ik terugroep: “In de slaapkamer”.

Niet gedempt omdat haar oortjes verstopt zitten of zo, nee, dat gedempte geluid komt door mij.

De deur gaat open. “Wat ben je aan het doen, mama?” Ze ziet haar moeder half omdat mijn bovenkant is verwikkeld in een complexe discussie met een dekbedovertrek. De helderblauwe kleur van de stof geeft me geen gevoel van wolkenloze luchten of frisheid. Nee, het is vreselijk benauwd.

“Ik probeer het winterdekbed in deze hoes te stoppen”, zucht ik.  Winterdekbed. Het is zo’n gezellig, knus woord. Maar dat is het alleen wanneer het allemaal netjes ingestopt op het bed ligt of wanneer je eronder ligt. Voordat het zover is, moeten die twee, met drukknopen, aan elkaar vastgemaakte ondingen de hoes in. Pff, wat heb ik het warm. Geen winterdekbed nodig.
Terwijl ik met de punten van de dekbedden onderweg ben naar de punt van de hoes kom ik allerlei verrassends tegen. Een poetsdoek en die ene sportsok die ik kwijt was. Met een rood hoofd worstel ik me terug uit de dekbedhoop en trek de hoes er goed overheen. Dan maak ik het bed op.

“Mag ik in jouw bed?” vraagt ze. Ook zij is duidelijk gevoelig voor de charme van het winterdekbed. “Tuurlijk!” Ik sla het dekbed voor haar open en ze kruipt erin. Haar wang heeft het kussen nog niet geraakt of ze slaapt. Stilletjes sluip ik de kamer uit.

Beneden vouw ik de was op en drink een kop koffie. En dan roept ze me, een beetje in paniek. “Mama, ik moet spugen!”

Als een atleet op weg naar de finish sprint ik de trap op, gewapend met een emmer om voor haar te zorgen en om  mijn dekbed te redden.

Of dat gelukt is? Zeker. De rest van de middag lagen we lekker samen in bed, onder het winterdekbed. Superknus.

Recente berichten
0